|
Wiegeliedje
die dagen, toen ik langs haar liep leek zij rustiger nu loopt ze driftig de rivier bedoel ik ik rende maar ik kwam daar niet aan nu ik stil sta ben ik daarin! het huis bedoel ik ik heb geslapen in de eenzaamheid van het huis en ik droom dat de rivier nog steeds zingt opdat ik eeuwig zou kunnen dromen!
aardbeving mag ik meester! als de koe slipte als het dak viel stierven wij allemaal onder al die stalen balken? de leraar goot een beweging over zijn gezicht hij rukte zijn handen los uit de bodem van zijn zakken en de hemel zat op het dak van het zoveelste klaslokaal de geplette banken! de lessen, die uit kinderhanden vielen en de muren, wat hadden ze voor de mensen in petto? er kwam alleen een geluid uit een vinger van een hand die uit de puinhoop stak: meester! mag ik opstaan!? moeder de straat eindigde in de nacht jij liep te snel en dat kind, zijn praatjes konden je nooit inhalen die dagen, zat een vrouw daarboven, gebogen in plaats van de maan deze dagen heb ik de appel kapot gemaakt, moeder! elke dag verlaat ik het huis om verliefd te worden het gaat niet de straat eindigde in mij van het huis dat ik voor haar wilde kopen is vanavond alleen een klein raam in mijn verbeelding open gebleven kijk! ik heb het gesloten ik heb de ramen uit het huis verbannen ik ga een beetje zout voor mijn wond kopen ik heb ook een paar stukken zee bij elkaar gebracht opdat je uit die verte terug komt moeder! deze dagen zijn wij opzoek naar de draad die door je naaimachine verloren liep we hebben nooit gelopen alleen maar de wegen getrapd
de ham
ik hield met beide handen haar handen uit de foto vast toen zij opstond bedankte zij mij niet mag ik met u meelopen? zij zei niet: nee ik houd haar handen vast en we lopen omgekeerd terug hoe verder ik zoek hoe verder verlies ik degene die in je ogen verborgen was zeg, bent u nog niet getrouwd? zij zegt niets wilt u het niet doen? zij zei niet: nee! we deden het! de dagen gingen voorbij zoals de wind en de avonden duurden niet langer dan een paar seconden wij waren twee eenzame foto's die de wereld uit de album wilde zetten zij deed het ook, geloven jullie het niet? vanavoud dat ik omgekeerd evenredig met de ander lig bezoekt u even het album en haal wat u wilt uit de koelkast waarvan u de deur in de foto opent sorry! wij hebben alleen ham! breedgeschouderd zo wijd als ik kon fantaseren speelde hij met de ramen en ging weg van het huis net als de wind hij was breedgeschouderd, mijn vader zoals het gebouw van Hadji en zij zat altijd in een hoekje van het binnenhof, mijn moeder om te huilen, ook tot vandaag de zon was gevallen op de steeg, loodrecht en mijn moeder die de rook van mijn hemel veegde was de enige Maria die de Jezus niet verliet zij maakte het lawaai van de vaten klaar maakte alle kamers schoon en opende alle ramen zo wijd als ik het me verbeeld zou hebben
hun gestalte was geschikt om te staan de foto was een snapshot de kreet, onverwacht en de dood, plotseling zag je het? las je de krant? hoe onbedacht werd het gekleurd zag je hoe wij in de spiegel achterbleven? hoe hij voortgeschopt kwam? hoe de wind voortgeschopt kwam? het voorval is neergevallen als een boom: bom! het krees de dood en verdreef de bladeren en verbande ze uit zijn dromen zonder ergens aan te komen werd het geluid doodgeschoten de radio ruist en de wereld ligt op haar buik om niet te zien niet te horen; zag je het? Wat bedenken ze al niet toen wij de kreet in de keel begroeven hoorde meneer de tv presentator ons en er kwam “een moment geduld” we waren verbaasd, we zijn verbaasd toen wij van het huilen terug kwamen vervingen wij Alborz? door een andere zee we zitten al jaren achter het stuur in een afgelegen straat en blazen steeds op de hoorn ze blazen op de hoorn hoorn! ik neem hem niet van de haak de wind heeft op de hoorn geblazen mijn hand bereikt je niet, mijn hand bereikt je niet, o hemel, om deze zwarte vlek, deze kwaadaardige maan van je schoot weg te vegen voor de wind die viel van het dak van die namen noch voor de regen die onze paraplu opende was ik bang ik was bang voor de dapperheid van de twee iepen twee staande iepen die niet meer zijn, die wij niet meer hebben de foto was een snapshot het tijdschrift, spontaan en de dood, plotseling zag je het? de wereld ligt op haar buik om niet te zien de radio ruist om niet gehoord te worden heb je het gehoord? misschien is de dood het lot van iemand die met zijn eigen pen en galg wilde schrijven schrijf maar! hoe staan wij, gehuisd in het huilen, achter iemand die achter niemand staat? waarom halen we die man niet uit de spiegel die wij elke ochtend daar instoppen en daar achterlaten het verhaal ging hier over de bomen die tijdens hun val hoge gestalten hadden zei ik het niet? het verval dat viel, dat gevallen is ging over deze twee mannen waarom moet ik zwijgen? de wind maakt jacht ook op de gevallen bladeren de onwetende wind!
Vertalingen: Amir Afrassiabi
|