Six poems into Dutch, Ali Abdolrezaei


Wiegeliedje

 


die dagen, toen ik langs haar liep
leek zij rustiger
nu loopt ze driftig
de rivier bedoel ik
ik rende    maar ik kwam daar niet aan
nu ik stil sta    ben ik daarin!
het huis bedoel ik
ik heb geslapen
in de eenzaamheid van het huis
en ik droom
dat de rivier nog steeds zingt
opdat ik eeuwig zou kunnen dromen!

 

aardbeving

 

mag ik meester!
als de koe slipte
als het dak viel
stierven wij allemaal onder al die stalen balken?
de leraar goot een beweging over zijn gezicht
hij rukte zijn handen los uit de bodem van zijn zakken
en de hemel zat op het dak van het zoveelste klaslokaal
de geplette banken!
de lessen, die uit kinderhanden vielen
en de muren, wat hadden ze voor de mensen in petto?
er kwam alleen een geluid uit een vinger
van een hand die uit de puinhoop stak:
meester!
mag ik opstaan!?
 
 

moeder


de straat eindigde in de nacht
jij liep te snel
en dat kind, zijn praatjes konden je nooit inhalen
die dagen, zat een vrouw daarboven, gebogen
in plaats van de maan
deze dagen heb ik de appel kapot gemaakt, moeder!
elke dag verlaat ik het huis om verliefd te worden
het gaat niet
de straat eindigde in mij
van het huis dat ik voor haar wilde kopen
is vanavond alleen een klein raam
in mijn verbeelding open gebleven
kijk! ik heb het gesloten
ik heb de ramen uit het huis verbannen
ik ga een beetje zout voor mijn wond kopen
ik heb ook een paar stukken zee bij elkaar gebracht
opdat je uit die verte terug komt
moeder! deze dagen zijn wij opzoek naar de draad
die door je naaimachine verloren liep
we hebben nooit gelopen
alleen maar de wegen getrapd

 


de ham

 

ik hield met beide handen
haar handen uit de foto vast
toen zij opstond bedankte zij mij niet
mag ik met u meelopen?
zij zei niet: nee
ik houd haar handen vast
en we lopen omgekeerd terug
hoe verder ik zoek
hoe verder verlies ik degene die in je ogen verborgen was
zeg, bent u nog niet getrouwd?
zij zegt niets
wilt u het niet doen?
zij zei niet: nee!
we deden het!
de dagen gingen voorbij zoals de wind
en de avonden
duurden niet langer dan een paar seconden
wij waren twee eenzame foto's
die de wereld uit de album wilde zetten
zij deed het ook, geloven jullie het niet?
vanavoud dat ik
omgekeerd evenredig met de ander lig
bezoekt u even het album
en haal wat u wilt uit de koelkast
waarvan u de deur in de foto opent
sorry! wij hebben alleen ham!
 

 

breedgeschouderd


zo wijd als ik kon fantaseren
speelde hij met de ramen
en ging weg van het huis
net als de wind
hij was breedgeschouderd, mijn vader
zoals het gebouw van Hadji
en zij zat altijd in een hoekje
van het binnenhof, mijn moeder
om te huilen, ook tot vandaag
de zon was gevallen op de steeg, loodrecht
en mijn moeder
die de rook van mijn hemel veegde
was de enige Maria die de Jezus niet verliet
zij maakte het lawaai van de vaten klaar
maakte alle kamers schoon
en opende alle ramen
zo wijd als ik het me verbeeld zou hebben
 

 

hun gestalte was geschikt om te staan

 


de foto was een snapshot
de kreet, onverwacht en de dood, plotseling
zag je het? las je de krant?
hoe onbedacht werd het gekleurd
zag je hoe wij in de spiegel achterbleven?
hoe hij voortgeschopt kwam?
hoe de wind voortgeschopt kwam?
het voorval is neergevallen als een boom: bom!
het krees de dood en verdreef de bladeren
en verbande ze uit zijn dromen
zonder ergens aan te komen
werd het geluid doodgeschoten
de radio ruist
en de wereld ligt op haar buik om niet te zien
niet te horen; zag je het?
Wat bedenken ze al niet
toen wij de kreet in de keel begroeven
hoorde meneer de tv presentator ons
en er kwam “een moment geduld”
we waren verbaasd, we zijn verbaasd
toen wij van het huilen terug kwamen
vervingen wij Alborz? door een andere zee
we zitten al jaren achter het stuur
in een afgelegen straat
en blazen steeds op de hoorn
ze blazen op de hoorn
hoorn! ik neem hem niet van de haak
de wind heeft op de hoorn geblazen
mijn hand bereikt je niet,
mijn hand bereikt je niet, o hemel, om deze zwarte vlek,
deze kwaadaardige maan van je schoot weg te vegen
voor de wind die viel van het dak van die namen
noch voor de regen die onze paraplu opende
was ik bang
ik was bang voor de dapperheid van de twee iepen
twee staande iepen
die niet meer zijn, die wij niet meer hebben
de foto was een snapshot
het tijdschrift, spontaan en de dood, plotseling
zag je het?
de wereld ligt op haar buik om niet te zien
de radio ruist om niet gehoord te worden
heb je het gehoord?
misschien is de dood het lot van iemand
die met zijn eigen pen en galg wilde schrijven
schrijf maar!
hoe staan wij, gehuisd in het huilen,
achter iemand die achter niemand staat?
waarom halen we die man niet uit de spiegel
die wij elke ochtend daar instoppen
en daar achterlaten
het verhaal ging hier over de bomen
die tijdens hun val hoge gestalten hadden
zei ik het niet?
het verval dat viel, dat gevallen is
ging over deze twee mannen
waarom moet ik zwijgen?
de wind maakt jacht ook op de gevallen bladeren
de onwetende wind!


Vertalingen: Amir Afrassiabi

 
Regen, Ali Abdolrezaei


als ik onder de hemel van een stad
die zo oud is geworden
de paraplu over mijn hoofd houd
kom ik die dagen in het dorp tegen
 
een meisje buigend onder de regen
plantte rijst
zij werd plotseling een vrouw
een vrouw die onder de regen hoogstaand is gebleven
en keer op keer tegen een man
wiens naam zij niet kende heeft gezegd:
waarom vluchten?
waarom paraplu?
alleen ijzeren mensen roesten door de regen!


 
Vertalingen: Amir Afrassiabi